De essentie van het pensioenprobleem

De essentie van het pensioenprobleem

Aanvullende pensioenen zijn in moeilijkheden. Niet omdat ze slecht presteren en ook niet omdat er te weinig premie wordt betaald.

Aanvullende pensioenen zijn in moeilijkheden door de regels. In het bijzonder door de regels rond het berekenen van hun financiële gezondheid. En de problemen van die regels zijn tweeërlei: de keuze voor de discontovoet en de visie op wat financiële gezondheid inhoudt. Om in termen van gezondheid te spreken: de thermometer geeft niet de juiste temperatuur aan en de maatstaf voor gezondheid en ziekte zijn verkeerd.

Een pensioenfonds is geen ingewikkelde organisatie en de opdracht die een pensioenfonds heeft is relatief eenvoudig. In ruil voor het betalen van een premie wordt aan elke deelnemer een voorwaardelijk vermogensrecht gegeven. Dit voorwaardelijk vermogensrecht geeft uitzicht op een levenslange periodieke uitkering na de pensioendatum.

Het gaat om de voorwaarden. Een pensioenfonds moet over voldoende financiële middelen beschikken om de uitkeringsbelofte waar te maken. Daartoe moet in de eerste plaats voldoende premie worden afgedragen en in de tweede plaats moet voldoende rendement worden gemaakt op die premie. Het stelsel is zo opgebouwd: de premie wordt belegd en van de oorspronkelijke inleg van de premie plus de gerealiseerde beleggingen worden na aftrek van de kosten de uitkeringen betaald.

Met ingang van de nieuwe Pensioenwet uit 2006 zijn er nieuwe regels in de wet- en regelgeving geïntroduceerd die het nu en in de voorzienbare toekomst onmogelijk maken om de uitkeringen aan te passen aan de inflatie. Het is zelfs voorgekomen dat de uitkeringen werden verlaagd en zulke verlagingen dreigen de komende jaren opnieuw. Met andere woorden: volgens de nieuwe regels beschikken pensioenfondsen niet over voldoende middelen om aan hun toekomstige verplichtingen te kunnen voldoen.

De vraag is nu: is het echt waar dat pensioenfondsen beschikken over onvoldoende middelen? Laten we eens kijken naar de regels  waarmee sinds de Pensioenwet moet worden gewerkt. In de Pensioenwet is geregeld hoe de gezondheid van een Pensioenfonds moet worden vastgesteld. In artikel 126 wordt beschreven hoe de technische voorzieningen moeten worden berekend.

Een pensioenfonds stelt toereikende technische voorzieningen vast met betrekking tot het geheel van pensioenverplichtingen. De berekening wordt uitgevoerd met inachtneming van het beginsel dat de technische voorzieningen worden berekend op basis van marktwaardering.

De marktwaardering wordt uitgewerkt in aparte regelingen. Samengevat wordt ervan uitgegaan dat in de toekomst een pensioenfonds nooit meer rendement zal maken dan de risicovrije rente. Omdat marktrentes voor risicovrije producten niet verder reiken dan 20 jaar wordt voor de periode daarna een geconstrueerde rente toegepast. Gemiddeld genomen ligt deze risicovrije rente die gezien wordt als de in de wet vastgelegde marktwaardering nu al jaren tussen de 1% en de 1,5%. Dat is het gemiddelde van een curve, waarvan in de eerste zeven jaar de rente negatief is en daarna geleidelijk stijgt tot ongeveer 2%. De wetgever gaat er dus van uit dat de berekening van de technische voorzieningen zeer prudent moet zijn. Zij gaat er dan van uit net te doen alsof er in de toekomst geen hoger rendement zal worden gemaakt dan 1% tot 1,5%.

Er is nog een aanvullende eis bijgekomen, een eis die niet in de Pensioenwet is terug te vinden. Deze eis heeft te maken met de reserves, de buffers ofwel het eigen vermogen van pensioenfondsen. Pensioenfondsen moeten beschikken over een vereist eigen vermogen. Gemiddeld is dit vereiste eigen vermogen ongeveer 25%. Dat vereiste eigen vermogen moet worden opgebouwd en zodra het bereikt is moet het in stand worden gehouden. Met andere woorden: huidige generaties moeten, indien het vereiste eigen vermogen niet wordt bereikt, bouwen aan dit vereiste eigen vermogen totdat het is bereikt. Huidige generaties doen dat ten dienste van toekomstige generaties. Het gebruik van het term “eigen vermogen” is overigens misleidend. Het suggereert dat het vermogen toebehoort aan het pensioenfonds en dat dit eigen vermogen ook zou kunnen worden uitgekeerd of kan dienen als zekerheid tegenover aangegane verplichtingen zoals bijvoorbeeld leningen. Dat is hier niet het geval. De term vermogen kan beter vervangen worden door de term “belegde middelen”. Daaruit komt naar voren dat het gaat om middelen ten dienste van een bepaald doel: de uitkering van pensioenen.

De eisen die aan het vermogen worden gesteld zijn vastgelegd in het Besluit Financieel Toetsingskader Pensioenfondsen. Ook in dit besluit wordt nog niet alles duidelijk vastgelegd. Zo is bijvoorbeeld het bepalen van de hoogte van de hierboven beschreven risicovrije rente gedelegeerd aan De Nederlandsche Bank (DNB), die deze zogenoemde Rente Termijn Structuur (RTS) vaststelt en periodiek aanpast.

We hebben hier dus twee aspecten beschreven van de huidige wet- en regelgeving die van invloed zijn op de bewegingsruimte van Pensioenfondsen: de door DNB opgelegde RTS die ervan uitgaat dat pensioenfondsen in de toekomst uitzonderlijk lage rendementen gaan behalen en de omvangrijke buffers die pensioenfondsen moet opbouwen alvorens ze aan alle verplichtingen, inclusief het aanpassen van pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken aan de inflatie, mag voldoen.

Zoals gezegd moet voldoende rendement worden gemaakt en de regels hiervoor zijn hierboven beschreven. Maar er moet ook voldoende premie worden betaald. Daarvoor worden in de Pensioenwet de volgende regels vastgelegd:

Een pensioenfonds stelt een kostendekkende premie vast die bestaat uit:

a. de premie die actuarieel benodigd is in verband met de aangroei van de pensioenverplichtingen;

b. de opslag die nodig is voor het bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende vereist eigen vermogen als bedoeld in artikel 132;

c. de opslag die nodig is voor de bij de aangroei van de pensioenverplichtingen behorende uitvoeringskosten van het pensioenfonds; 

De kostendekkende premie kan worden gedempt met een voortschrijdend gemiddelde van de rente of met verwacht rendement.

In de verdere uitwerking van dit artikel uit de Pensioenwet is een Commissie Parameters geïntroduceerd die de grenzen van het verwachte rendement vaststelt waarmee het pensioenfonds mag rekenen bij het berekenen van de premie. Dit verwachte rendement wordt tenslotte nog gecorrigeerd voor de verwachte inflatie.

De premie wordt dus uitgerekend aan de hand van een rendement. Wordt dit rendement behaald dan is het pensioenfonds er zeker van dat er genoeg geld binnenkomt voor de verplichtingen die zijn aangegaan als gevolg van de ingelegde premie. Het overrendement, dat wil zeggen het meerdere rendement dat gemaakt wordt, staat dan ten dienste van de aanpassing van de verplichtingen aan de ontwikkeling van de levensverwachting en aan de verhoging van de uitkeringen en de aanspraken ter compensatie van de inflatie.

Een voorbeeld. Het ABP stelt de premie vast op basis van een verwacht rendement van 2,8%. Het werkelijke rendement van het ABP is sinds 1992 meer dan 7% per jaar. Het fonds maakt dus een overrendement van ruim 4%. Het kan, volgens deze redenering, de pensioenen verhogen met bijvoorbeeld 2% per jaar, de kosten van de stijging van de levensverwachting dekken en daarnaast nog voldoende reserves kweken om donkere tijden op de financiële markten te overbruggen. Waarom dreigt het ABP dan te moeten gaan korten op uitkeringen en aanspraken en waarom heeft het ABP dan al tien jaar niet meer kunnen indexeren?

Het antwoord op die vraag is simpel: de regels schrijven voor dat het ABP, bij het bepalen van zijn financiële gezondheid uit moet gaan van een toekomstig rendement van 1% tot 1,5%, niet van 2,8% (zoals in de premie besloten ligt) en ook niet van ruim 7%, wat het rendement uit het verleden is.

Als gevolg hiervan wordt het vermogen ontoereikend geacht voor indexatie (aanpassing aan de inflatie). En als gevolg hiervan is de buffer, die het ABP in het verleden heeft aangelegd administratief verdwenen. Bij een discontovoet van 4% zoals toegepast voordat de nieuwe Pensioenwet in 2007 in werking trad was de dekkingsgraad van het ABP 134% (ultimo 2006 volgens Jaarverslag ABP). Als gevolg van de daling van de discontovoet tot 1,5% is het ABP aan dekkingsgraad 35 procentpunten kwijtgeraakt. Daarnaast moest ongeveer 5 procentpunten worden ingeleverd ten behoeve van de kosten van langer leven. En door de structureel te lage premie, die immers wordt berekend aan de hand van een verwacht rendement dat veel hoger ligt dan de discontovoet verloor het ABP nog eens 5 procentpunten aan dekkingsgraad. Per saldo zou, zonder de effecten van de daling van de discontovoet en de effecten van langer leven en de te lage premie een dekkingsgraad hebben van 143%, een verbetering ten opzichte van de situatie in 2006 terwijl we een ernstige financiële crisis achter de rug hebben. Het ABP heeft het met zijn beleggingsbeleid dus heel goed gedaan en toch dreigen er kortingen aan het eind van 2020.

De verslechterde positie van het ABP is uitsluitend toe te schrijven aan de daling van de discontovoet. En dat geldt voor alle andere pensioenfondsen op dezelfde wijze. De essentie van het probleem van de pensioensector is de keuze voor een risicovrije rente als discontovoet. Zolang geen wijziging van de zogenoemde rekenrente wordt geaccepteerd zijn alle voorstellen voor oplossing van de pensioenproblematiek lapmiddelen die geen verbetering bieden.

Rob de Brouwer

19 februari 2019

1 Reactie
  • Rob Lutgerhorst
    Geplaatst op 12:11h, 05 oktober Beantwoorden

    De verslechterde positie van het ABP is betrekkelijk (Dekkingsgraad najaar 2019) en komt volgens mij niet alleen door de daling van de discontovoet. Ook de te lage premieafdracht over de afgelopen jaren heeft een doorslaggevend negatief effect (van elke benodigde euro aan premie ontvangt het ABP minder dan 80 eurocent).
    Is de premieafdracht kostendekkend dan hoeft het ABP niet te korten en kan er mogelijk geïndexeerd worden. Eens met het feit dat de jarenlange te lage premies naar het ABP en de daaraan gekoppelde greep uit de ABP-kas vanaf het begin 80 er jaren nu ook een substantiële negatieve invloed heeft op het vermogen van het ABP.

    Het (n)FTK moet zo snel mogelijk worden aangepast en de rekenrente ofwel de discontovoet kapitaal gedekt pensioen moet in overeenstemming worden gebracht met het eurozone gemiddelde van minstens 2,1 procent in plaats van de gehanteerde 1,2 procent.

    Dat de regeringscoalitie (VVD, CDA, D66 en CHU) de pensioenkortingen (nog) niet willen afschaffen is zeer bedenkelijk als men bedenkt dat bij de laatste tweede kamer verkiezingen de pensioenproblematiek niet of nauwelijks onder de aandacht is gebracht van de kiezers en het regeerakkoord een handjeklap is van de voorgenoemde partijen.

    Maar ook de PvdA heeft meegewerkt aan deze situatie waarin er gekort zou moeten worden. Deze partijen regeren over hun graf heen met dit kortingsbeleid van de pensioenen. Ook een punt bij het voor de rechter slepen van de Nederlandse Staat welke zo snel als mogelijk moet gebeuren.

Geef een reactie