Rendementen van pensioenfondsen in historisch perspectief

Rendementen van pensioenfondsen in historisch perspectief

Sinds 1990 zien we in Nederland een enorme toename van de schulden. Schulden van huishoudens, overheid en bedrijfsleven. Binnen het bedrijfsleven zijn het vooral de banken die hun schuldpositie hebben zien toenemen. De oorzaak van deze schuldenexplosie moet gezocht worden in de daling van de rente. De kapitaalmarktrente daalt in Nederland continu vanaf 1980 van iets meer dan 12% naar minus 0,3% nu. Er zijn wel korte perioden geweest waarin weer enige stijging van de rente te zien was maar de lange termijnontwikkeling is neerwaarts over de laatste vijfendertig jaar.

De daling van de rente kan verklaard worden uit het gestaag dalen van de inflatie en het feit dat kennelijk steeds minder risico wordt gepercipieerd bij het verstrekken van kredieten. Rente is immers de vergoeding voor de geldontwaarding vermeerderd met een opslag die groter is naarmate het te verstrekken krediet riskanter wordt geacht.

Het feit dat ook de banken gebukt gaan onder een toenemende schuldenlast, waarvan ook nog een deel nooit zal worden afgelost, toont aan dat banken niet zo goed zijn in het inschatten van risico’s. Sterker nog, de banken hebben een belangrijke rol gespeeld in het oppompen van de schulden van huishoudens door versoepeling van de voorwaarden waaronder hypothecaire leningen werden verstrekt. Ik zal nooit vergeten dat ik in 2006 bezoek kreeg van een jongeman die mij aanbood mijn nieuwe woning te financieren met een aflossingsvrije lening voor 120% van de aanschafprijs en de overwaarde van mijn zojuist verkochte woning te beleggen in een door de hypotheekverstrekkende bank beheerd beleggingsfonds. Als ik dat zou doen zou ik gratis wonen en na twintig jaar mijn hypotheek kunnen aflossen uit het beleggingsfonds en nog een niet onaanzienlijke som geld overhouden. Wij zijn kort van memorie maar dit was een doodnormale praktijk van de banken, niet alleen van de DSB. De Nederlandsche Bank heeft uiteindelijk de DSB als enige aangepakt maar dat kwam meer omdat Dirk Scheringa het verkeerde pak droeg.

Inmiddels is in 1999 de Euro ingevoerd. Een onverstandig besluit met onvoldoende uitgewerkte regels en met de verkeerde deelnemers. Een project dat ons veel geld kost en dat in de huidige vorm niet houdbaar is.

Door de invoering van de Euro en het sluiten van het Europese Stabiliteits- en Groeipact heeft de Nederlandse Staat de twee belangrijkste instrumenten voor economisch beleid uit handen gegeven: het monetaire en het budgettaire beleid. Midden in de crisis werden de resultaten van een aanvankelijk doorgevoerde budgettaire stimulering dan ook verstoord door bezuinigingen. Als gevolg daarvan zijn de prestaties van de Nederlandse economie sinds 2008 teleurstellend. De Japanse economie, met zijn veel sterkere vergrijzing doet het aanzienlijk beter.

De Europese Centrale Bank voert sinds de crisis van 2008 een goedkoop geldbeleid. De rente is in stapjes steeds verlaagd tot het niveau waarop de Nederlandse Staat geld toe krijgt voor zijn nieuw uitgeschreven staatsleningen.     De officiële redenering achter deze goedkoop geldpolitiek is dat het de investeringen aanzwengelt. Maar de Nederlandse Staat mag of wil niet investeren en het bedrijfsleven investeert niet. De lage rente zou ook de inflatie aanzwengelen en het gevaar van deflatie afwenden. Maar de inflatie neemt niet toe, godzijdank zou ik zeggen want anders zou het achterblijven van de indexatie voor pensioenaanspraken nog dramatischer zijn. Het enige resultaat van het beleid van de Europese Centrale Bank is dat de rente in Europa uitermate laag is. Het voordeel daarvan is dat de landen die wel lid zijn van de Economische en Monetaire Unie maar dat niet zouden mogen zijn, nog steeds goedkoop geld kunnen lenen voor hun tekorten en ter herfinanciering van hun staatsschulden. Waarbij zij, inclusief Frankrijk, nog steeds niet voldoen aan de eisen van het Stabiliteits- en Groeipact. Het beleid van de ECB is alleen maar gunstig voor deze landen, wat op zichzelf niet verwonderlijk is, nu elke volgende president van de ECB uit een zuidelijker land komt dan zijn voorganger. Het beleid om de inflatie aan te wakkeren is ook alleen maar bedoeld om de schuldenpositie kunstmatig gunstiger te laten uitkomen.

Vóór de crisis van 2008 waren de dekkingsgraden van pensioenfondsen buitengewoon bevredigend. Medio 2007 waren de  dekkingsgraden van het ABP 149%, van PGGM 153%, van PMT ook 153%, van PMT 136% en van het Spoorwegfonds 198%. Bijna alle pensioenfondsen in Nederland hadden een eigen vermogen van 50% of meer. Daarmee zouden zij naar de eisen van het nieuwe Financiële Toetsingskader volledig mogen indexeren. Sinds 2007 zijn deze dekkingsgraden gedaald tot onder de 100%.

Hoe komt dat? Beleidsmakers, politici en sommige wetenschappers willen ons doen geloven dat de oorzaak van deze spectaculaire daling gelegen is in verliezen op de beleggingsmarkten en tegenvallers door een onverwachte stijging van de levensverwachting.

De stijging van de levensverwachting heeft inderdaad effect gehad op de dekkingsgraad van de pensioenfondsen. Het heeft de pensioenfondsen in Nederland gemiddeld 7 procentpunten van de dekkingsgraad gekost sinds 2010. Maar dan blijft er nog altijd een daling van de dekkingsgraad met 40 procentpunten over die nog verklaard moet worden. Het kan niet ontkend worden dat de waardeontwikkeling van de vermogenstitels veel heftiger is na de eeuwwisseling dan ervoor. In de gouden jaren van 1985 tot 2000 werd door de Nederlandse pensioenfondsen een gemiddeld jaarlijks rendement gemaakt van 10%, waarvan ongeveer 7% direct rendement en ongeveer 3% waardestijging. Na 2000 daalt het gemiddelde rendement van de Nederlandse pensioenfondsen naar gemiddeld 5,5%, waarvan ongeveer 3% direct rendement en 2,5% waardestijging. De waardestijging is veel volatieler geworden met uitslagen van minus 22% in 2008 en minus 12% in 2002 waartegenover winsten van meer dan 10% staan in de jaren 2005, 2009, 2012 en 2014.

De beurzen zijn wel heftiger geworden maar over langere termijn nog steeds positief met rond de 3% waardestijging. Het grote verschil tussen vóór 2000 en daarna zit hem in het directe rendement, dat meer dan gehalveerd is en zich sinds 2004 stabiel rond de 2,5% tot 3% bevindt. Deze daling komt nagenoeg volledig voor rekening van de rentedaling.

Intussen moeten Pensioenfondsen rekenen met een risicovrije rente, die is afgeleid van de interbancaire swaprente. Daarom zijn de dekkingsgraden zo laag geworden. Niet omdat er onvoldoende premie wordt betaald. Niet omdat de rendementen tekort schieten. Niet omdat de uitkeringen groter zijn dan verwacht door de toegenomen levensverwachting. Neen, uitsluitend omdat gerekend moet worden met deze lage, gemanipuleerde, rente, die alleen maar dient om de Grieken en de Italianen uit de wind te houden. Daarom worden de aanspraken en uitkeringen al meer dan tien jaar niet meer aangepast aan de prijsontwikkeling. Daarom heeft een aantal fondsen moeten korten op de uitkeringen. En daarom worden er volgend jaar verdere kortingen verwacht. De huidige rekenrente voor gepensioneerden is de eerste achttien jaar gemiddeld 0,3%. Dat betekent dat men ervan uit moet gaan dat als je eenmaal met pensioen gaat, het voor jou bestemde vermogen nauwelijks meer rendeert. De gemiddelde rekenrente voor alle deelnemers is de laatste jarenrond de 1% en is dalend. Daar staat tegenover dat na aftrek van kosten van het fonds en de bijdrage aan de toename van de levensverwachting elk jaar gemiddeld 4,5% overblijft van het rendement van pensioenfondsen. Het verschil tussen rekenrente en gerealiseerd rendement is elk jaar weer tenminste 3%.  Dit overrendement en de buffers van vóór de crisis zijn gebruikt om de masochistische rekenmethodes van het Financiële Toetsingskader te financieren. Het gaat hierbij niet om kleine bedragen. Het gaat om honderden miljarden die er wel zijn, maar niet gebruikt mogen worden. Welke econoom wil verantwoordelijkheid nemen voor zo’n absurd beleid? Terwijl we weten dat Nederland door zijn enorme overschot op de betalingsbalans structureel een onderbesteding heeft.

Men kan hieruit maar één conclusie trekken: gepensioneerden en nog actieve deelnemers aan Nederlandse pensioenfondsen betalen het gelag. Er is een direct verband tussen het monetaire beleid van de ECB en het koopkrachtverlies waarvan gepensioneerden en actieve deelnemers van pensioenfondsen het slachtoffer zijn geworden.

Alle discussie gaat steeds weer over de onhoudbaarheid van het Nederlandse Pensioenstelsel. Maar het is niet het pensioenstelsel. Het is het financiële stelsel, en daarbinnen met name de Euro, die onhoudbaar zijn. Als rechtgeaard Europeaan zeg ik u: het Europese project is doorgeschoten. De trein had eerder moeten stoppen maar dendert voort. Politici schijnen zich dat niet te realiseren. Maar als de Euro zoals hij  nu is toekomst zou moeten hebben, dan is er maar één oplossing mogelijk: de rijke noordelijke landen moeten hun onderbesteding wegwerken door veel meer producten te gaan kopen van de armere zuidelijke landen. Die armere zuidelijke landen moeten een aanzienlijk overschot op de betalingsbalans krijgen ten koste van de noordelijke landen. Ik vrees dat zoiets nooit gaat gebeuren.

De mensen in het land weten het wel. Bij de invoering van de Euro zijn er referenda geweest in Zweden en Denemarken en de mensen in die landen hebben neen gezegd. Bij de plannen om te komen tot een Europese grondwet zijn er referenda geweest in Frankrijk en Nederland en de mensen in die landen hebben neen gezegd. En twee jaar geleden hebben de mensen in het Verenigd Koninkrijk neen gezegd tegen de Europese Unie.  Alleen in Luxemburg verliep het Grondwetreferendum positief. Hoeveel signalen heb je nodig? In nagenoeg alle landen van Europa waar de mensen zich mochten uitspreken over aspecten van de Europese samenwerking hebben die mensen een duidelijk neen laten horen. En dat is niet een stem van gisteren maar dat is al sinds eind vorige eeuw aan de gang.

Bij de lage rente die we nu hebben is ons kapitaaldekkingsstelsel ongunstiger dan een omslagstelsel. Laten we een denkexercitie maken. We gaan morgen over naar een nationaal omslagstelsel. Pensioenfondsen blijven in stand maar stellen hun vermogen ten dienste van dit nationale stelsel. We houden de premie op hetzelfde niveau als vandaag, we rekenen met een rendement van 2,5% voor het vermogen, we rekenen er op dat we 30% van dat vermogen kwijtraken in de komende Eurocrisis en we gaan uit van de uitkeringen, zoals die nu zijn. We laten de premies met 2% per jaar stijgen, evenals de uitkeringen, die we ook nog laten groeien met de groei van het aantal gepensioneerden. Iedereen krijgt dus wat hem toekomt, inclusief indexatie. Het fondsvermogen is omgezet in een clearingvermogen. Stel eens dat zoiets zou kunnen. Dat daarbij geen wetten in de weg staan en praktische bezwaren of weemoedigheid die niemand kan verklaren. Dan loopt het stelsel niet vast en houden we in 2065 als de babyboomgeneratie is uitgestorven nog ruim € 3.000 miljard in kas! Zelfs bij een rendement van 0% en een aanpassing van de indexatie naar 1,75% blijft een fonds van € 1.000 miljard in stand.

Je kunt uit deze exercitie allerlei conclusies trekken: dat Nederland een mooie buffer heeft om tegenvallers bij pensioenen op te vangen, dat we de beloften aan gepensioneerden gewoon waar kunnen maken ja zelfs dat de premies te hoog zijn. Maar niet dat het pensioenstelsel onhoudbaar is.

 Rob de Brouwer

8 augustus 2019

Geen reactie's

Geef een reactie