De doorsneepremie 

De doorsneepremie 

Voor niets gaat de zon op. Dus voor het aanvullend pensioen moet ook worden betaald.

Dat gebeurt in de vorm van een pensioenpremie, die wordt afgedragen aan het pensioenfonds. Het is een misverstand dat werknemers de premie afdragen. De premie wordt betaald door de werkgever. In bijna alle gevallen berekent de werkgever een deel van de premie door aan de werknemer. Maar dat hoeft niet.

Voor elke werknemer wordt uitgerekend hoeveel premie nodig is om de ambitie van een nominaal pensioen waar te maken. Een nominaal pensioen is een vaste bedrag, dat na de pensioendatum levenslang wordt uitgekeerd als aanvulling op de AOW. Het bedrag dat bij de pensioendatum wordt bereikt is een combinatie van het aantal jaren dat premie is afgedragen en het jaarlijkse opbouwpercentage. Dit opbouwpercentage is niet overal gelijk en bedraagt maximaal 1,875% van het gemiddelde loon dat gedurende de arbeidszame leven is genoten. Heb je 40 jaar gewerkt in loondienst bij een bedrijf dat aangesloten is bij een bedrijfstakpensioenfonds of bij een bedrijf met een eigen ondernemingspensioenfonds, dan krijg je als levenslange uitkering 40 maal 1,875% is gelijk aan 75% van je middelloon. In dit percentage is de AOW ingebouwd. Je kunt ook meer opbouwen als er langer premie is afgedragen.

Hoe wordt de premie berekend? Bij de berekening van de premie wordt ervan uitgegaan dat er een bepaald rendement wordt gemaakt over het gespaarde bedrag. Dat in de premie ingebouwde rendement wordt door een onafhankelijke commissie periodiek vastgesteld: de Commissie Parameters. Deze commissie stelt de grenzen vast van de rendementen van de verschillende vermogentitels. Bijvoorbeeld voor de beursgenoteerde aandelen stelde de Commissie Dijsselbloem, die onlangs advies uitbracht, een rendement vast van 5,6% na aftrek van de kosten. Voor niet-beurrsgenoteerd onroerend goed 4,1% en voor grondstoffen 3,3%. AAA overheidsobligaties moeten worden gewaardeerd met de risicoloze rente die ook voor de berekening van de dekkingsgraad wordt gebruikt. Na aftrek van de kosten kom je dan uit op 0,6%  gemiddeld voor deze obligaties. Een pensioenfonds dat voor 60% in aandelen zit en voor 40% in AAA overheidsobligaties moet dus rekenen met 0,6 maal 5,6 plus 0,4 maal 0,6 . De uitkomst is dan 3,6%. Maar dan moet dat percentage nog worden gecorrigeerd voor de inflatie.  De prijsinflatie wordt door de commissie Dijsselbloem geschat op 1,9%. Er blijft dan 1,7% over aan rendement dat in de premie wordt ingebouwd. Overigens gaat deze rekensom pas in op 1 januari 2021. Op dit moment gelden hogere waarden die gemiddeld leiden tot een ingebouwd rendement van 2,8%.

Voor jonge werknemers betekent deze werkwijze dat er voor hen relatief een lage premie wordt afgedragen want hun inleg rendeert veel langer dan die van de oudere werknemers. Men noemt de waarde die zo per leeftijdscohort wordt berekend ook wel de actuariële waarde. In dit stadium van de berekeningen komt niemand iets tekort en betaalt niemand iets teveel. Dat wordt anders als de doorsneepremie wordt berekend. Dan worden in een bedrijfstak in het geval van een bedrijfstakpensioenfonds of voor een bedrijf in het geval van een ondernemingspensioenfonds de totale premiekosten uitgerekend als aandeel in de totale loonkosten, na aftrek van de franchise. De franchise is het bedrag waarover geen pensioenpremie behoeft te worden afgedragen omdat er ook AOW-premie wordt betaald. De franchise representeert dat deel van het inkomen dat wordt afgedekt door de latere AOW-uitkering.

Het percentage dat zo is uitgerekend wordt de doorsneepremie genoemd en bedraagt in Nederland nu gemiddeld 20% tot 23% van het inkomen na aftrek van de franchise. Het ingebouwde rendement bedraagt gemiddeld 2,8%. Gaat het ingebouwde rendement naar 1,7% zoals de Commissie Dijsselbloem voorstelt, dan zal de premie moeten stijgen naar 27% tot 30%. Overigens is in het Pensioenakkoord afgesproken dat in de toekomst, bij het berekenen van de premie, wordt uitgegaan van de risicovrije rentevoet, die nu gemiddeld zo’n 0,8% bedraagt. De premie gaat dan verder stijgen naar tenminste 35%. Als we uitgaan van een rendement van nul dan zal de premie naar 40% moeten gaan. Dan hebben we het verkeerde stelsel, want dan is een systeem waarbij de premie onmiddellijk wordt uitgekeerd als pensioen, zoals nu ook bij de AOW gebeurt, veel goedkoper. Maar dat is niet het onderwerp van dit artikel.

De doorsneepremie voor een bedrijfstakpensioenfonds wordt gebruikt om alle bedrijven in de bedrijfstak hetzelfde premiepercentage te laten afdragen. Voor een ondernemingspensioenfonds wordt het gebruikt om aan de individuele deelnemers het eigen aandeel door te berekenen. Daarbij wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen deelnemers die nog lang te gaan hebben en waarvan de premie dus nog lang rendeert en de deelnemers die binnenkort met pensioen gaan en waarvan de premie nog maar korte tijd beleggingswinsten zal opleveren. Is dat een probleem? Tot voor enige jaren werd dat niet als een probleem gezien omdat doorgaans iedereen bleef werken in een bedrijf met een pensioenfonds. Van alle werknemers in loondienst bouwt 90% een aanvullend pensioen op. En zolang men in een pensioengevende dienstbetrekking werkt maakt het per saldo niet veel uit dat men in het begin wat meer en aan het einde wat minder betaalt. De zogenoemde subsidie van jong naar oud komt ten goede aan jezelf. Maar sinds enige jaren is het leger ZZP’ers aan het groeien en dat zijn vaak werknemers die bijvoorbeeld op hun veertigste kiezen voor een zelfstandig bestaan. Bij het beëindigen van hun dienstverband blijven de opgebouwde pensioenrechten in stand maar daar heeft de nu veertigjarige straks, als hij of zij met pensioen gaat, teveel voor betaald, in ieder geval méér dan iemand die eerst ZZP’er is en op zijn of haar veertigste pas in loondienst komt.

Om aan deze ongewenste situatie een eind te maken is in het Pensioenakkoord besloten om de jaarlijkse opbouwpercentages  niet meer constant te houden over de gehele carrière maar jongeren een hoger en ouderen een lager percentage toe te kennen. Men noemt dit de degressieve opbouw. Zodra dit wordt ingevoerd stuiten we echter op een probleem: 45-plussers krijgen een lagere opbouw terwijl ze eerst niet een hogere opbouw hebben gehad. Hierdoor bereiken ze aan het eind van hun carrière een lager pensioenrecht dan hun oorspronkelijk was beloofd. Dat moet dus worden gecorrigeerd. Die correctie kost ongeveer € 60 miljard. De overheid heeft hiervoor geen bijdrage beschikbaar. Dus moet deze bijdrage uit de premie of uit de belegde middelen van de pensioenfondsen komen. De pensioenfondsen hebben officieel te lage dekkingsgraden en kunnen dus niet hun buffers aanspreken. De premie kan als gevolg van de degressieve opbouw omlaag met ongeveer 8%. Maar als gevolg van de hierboven omschreven ontwikkelingen (Commissie Dijsselbloem en Pensioenakkoord) gaat de premie al aanzienlijk omhoog. Een oplossing is nog niet in zicht.

Het blijft vreemd dat de voor de hand liggende oplossing nooit is overwogen. Als de werkgever niet een deel van de premie doorberekent aan de werknemer dan doet zich het probleem van de doorsneepremie niet voor (bij ondernemingspensioenfondsen) of heeft het maar een gering effect (bij bedrijfstakpensioenfondsen). Zo’n oplossing vergt een eenmalige aanpassing van het bruto/netto traject. Kosten: misschien een paar miljoen, zeker geen 60 miljard Euro.

Rob de Brouwer

24 augustus 2019

Geen reactie's

Geef een reactie