Manipulatie met de berekeningen van de vermogens in het nieuwe stelsel

Manipulatie met de berekeningen van de vermogens in het nieuwe stelsel

In het kader van de voorbereiding van het debat over de uitwerking van het Pensioenakkoord zijn veel schriftelijke vragen gesteld. De Minister heeft die vragen schriftelijk beantwoord voorafgaande aan het debat op 14 juli. Die antwoorden geven over het algemeen weinig aanvullende duidelijkheid en het debat zelf gaf die duidelijkheid ook niet. Als er iets duidelijk is geworden dan is dat er weinig duidelijk is. Veel moet nog worden uitgewerkt.

Één zaak is echter wel duidelijk. Voor de huidige deelnemers en gepensioneerden zit er tot aan het moment van invoering van het nieuwe stelsel niets in het vat dan nog steeds dreigende kortingen. Compensatie voor de misgelopen indexatie sinds 2008 zit er niet in. Daarbij is schriftelijke vraag 114 cruciaal:

Nu er een stelsel komt gebaseerd op premie en rendement, gaat u uiteraard ook voor alle gepensioneerden precies terugrekenen hoeveel premie zij hebben betaald en hoeveel rendement daarop is gemaakt, sinds de start van hun deelname? Indien nee, waarom niet?

 Het antwoord van de Minister is ontluisterend. Ik citeer:

Nee, dat is niet zinvol, niet wenselijk en niet uitvoerbaar. De premie en het beleggingsbeleid van fondsen in de afgelopen jaren is bepaald op basis van de spelregels en financieel-economische omstandigheden van dat moment. Veronderstellen dat al deze factoren de afgelopen tientallen jaren anders zouden zijn geweest, levert geen zinvolle discussie op. Die klok kan niet worden teruggedraaid. Bovendien zouden de effecten ook per deelnemer verschillend zijn. 

In de vraag worden een aantal cruciale factoren weggelaten die invloed hebben op de hoogte van premies en pensioenen, bijvoorbeeld de ontwikkeling van de rente die bepaalt hoe duur een kapitaalgedekt pensioen is. Maar ook de ontwikkeling van de inflatie en levensverwachting. Zo lag de rente in het verleden veel hoger, waardoor tegen een lagere premie een hoger, zekerder pensioen kon worden opgebouwd. Ook is voor de gestegen levensverwachting tot voor kort geen extra premie betaald toen de pensioenleeftijd nog vast op 65 jaar stond en is de feitelijke pensioenleeftijd in de afgelopen jaren met ongeveer 5 jaren gestegen. Alleen naar premies en behaalde rendementen kijken, is dus een veel te beperkte weergave van een veel complexere werkelijkheid in heden en verleden.

 Dit is een schoolvoorbeeld van de wijze waarop het debat over ons pensioenstelsel nu al meer dan tien jaar wordt gevoerd. De eerste zin is al een omvangrijke kluit waarmee de vragensteller behendig in het riet wordt gestuurd. Het gaat om de vaststelling van de premie en om het beleggingsbeleid die afhankelijk waren van andere spelregels. Maar de premie is altijd vastgesteld op basis van een geambieerde uitkering rekening houdend met een verwacht rendement en met een periode van opbouw. Dat betekent dat op het gebied van de premie geen verschillen bestaan met de nieuwe situatie. Weliswaar werd in de vorige eeuw nog wel een pensioen opgebouwd op basis van 70% van het eindloon, maar dat is al lang gewijzigd in 80% van het middelloon en bovendien zijn beide normen voor de grote meerderheid van deelnemers en gepensioneerden globaal identiek. De overstap naar het middelloon had vooral nadelen voor een kleine minderheid die op latere leeftijd carrière maakt. Daarnaast is het fiscale effect van de omkeerregel beperkt tot € 100.000, maar ook die regel heeft nauwelijks invloed op de vergelijking omdat het een zeer kleine groep betreft.

Het beleggingsbeleid in het nieuwe stelsel kan misschien anders zijn dan dat in het verleden. Elk pensioenfonds heeft in zijn bestuur een specialist op het gebied van beleggingsbeleid en periodiek wordt dat beleid geëvalueerd en aangepast aan de financieel-economische omstandigheden. We zien dan ook een verrassend constant gemiddeld rendement van 6% over de afgelopen tientallen jaren. Wel is duidelijk dat het rendement structureel wat lager wordt en ook wat heftiger bewegingen kent. Daarom adviseerde het Actuarieel Genootschap al in de negentiger jaren om de maximale vaste rekenrente van 4% te verlagen naar 3,5% of zelfs 3%. Het rendement op beleggingen bestaat uit twee onderdelen: het directe rendement in de vorm van dividend, huurpenningen of rente op vastrentende waarden en de waardestijging op de beurzen, het indirecte rendement. Binnen deze elementen is alleen de rente dalend, al sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw. Dit heeft twee bewegingen veroorzaakt: een daling van het verwachte rendement waarmee de premie wordt berekend en een aanpassing van het beleggingsbeleid met een grotere rol voor renteswaps. Het gerealiseerde rendement is, ook na de crisis van 2008 op peil gebleven met 6% gemiddeld.

De gevraagde berekening niet willen maken op grond van andere spelregels en financieel-economische omstandigheden met betrekking tot premie en beleggingsbeleid is dus onzin. Veronderstellen dat al deze factoren de afgelopen tientallen jaren anders zouden zijn geweest levert inderdaad geen zinvolle discussie op want het is gewoon niet waar. Zoveel anders waren de omstandigheden niet. En natuurlijk zijn de effecten per deelnemer verschillend. De een bouwde kort pensioen op, de andere meer dan 40 jaar. De een is aan zijn laatste stukje pensioen toe de ander is nog aan het werk. En natuurlijk is de premie gestegen maar hoe hoger de premie die men voor een deelnemer heeft afgedragen des te hoger het opgebouwde vermogen. Is de premie laag geweest dan is het vermogen dat toegewezen moet worden navenant lager.

Er werden aldus de Minister een aantal cruciale factoren buiten de beschouwing gelaten die invloed hebben op de hoogte van de premies en van de pensioenen, zoals de ontwikkeling van de rente, de inflatie en de levensverwachting. De rente lag hoger dus was het goedkoper een kapitaalgedekt pensioen op te bouwen. Ja, dat klopt. De rente lag ruim boven de 4%. Toch werd 4% gebruikt om de premie vast te stellen. Dat gebeurt tegenwoordig wel anders, het verwachte rendement waarmee de premie wordt berekend ligt al tien jaar hoger dan de risicovrije rente waarmee de balanswaarde van de verplichtingen worden berekend. Al tien jaar betalen deelnemers een te lage premie en daarvóór betaalden de nu gepensioneerden een te hoge premie.

De Minister maakt het helemaal bont door te beweren dat voor de gestegen levensverwachting tot voor kort geen extra premie werd betaald. Dat is niet waar. Ook in de vorige eeuw werd periodiek door het Actuarieel Genootschap in samenwerking met het CBS gekeken of de levensverwachting toegenomen was. Bij een toename werden de verplichtingen daaraan aangepast, ten koste van het vermogen en tevens werd de premie aangepast. Wel is het zo dat de methode waarmee deze aanpassing plaatsvond werd veranderd. Men kijkt nu naar toekomstige ontwikkelingen en niet alleen naar de waargenomen stijging in het verleden.

Kort gezegd komt het erop neer dat de Minister deze gevraagde berekeningen die alleen maar gebaseerd zijn op het nieuwe stelsel niet wil laten maken omdat de uitkomsten ervan zouden aantonen dat gepensioneerden onrecht wordt aangedaan en dat zij niet zullen krijgen wat hun toekomt. Dat alsnog in orde brengen gaat ten koste van de vermogens die de Minister wil toewijzen aan de jongeren want zij krijgen in de uitwerking van het Pensioenakkoord meer dan hun inleg plus het daarop gemaakte rendement. Er is immers alleen maar de ingelegde premie plus het rendement. Voor gepensioneerden moet de uitkering daarop in mindering worden gebracht. Dus als de Minister de pensioneerden niet wil geven wat ze hebben ingelegd en het rendement wat daarop is gemaakt dan wil hij jongeren juist méér geven.

Er is juist alle aanleiding om gepensioneerden meer te geven. Om te beginnen zijn zij de indexatie over de afgelopen 12 jaar definitief kwijt, een tegenwaarde van €37 miljard. Bovendien hebben zij over de jaren sinds 2008 een bijdrage geleverd aan de inkoop van nieuwe pensioenrechten van jongeren, een tegenwaarde van ongeveer € 70 miljard. En tenslotte hebben zij een bijdrage geleverd aan het afdekken van de kosten voor langleven terwijl juist jongeren een langere levensverwachting hebben.

Rob de Brouwer

15 juli 2020

 

 

 

 

 

Geen reactie's

Geef een reactie