Waarom horen wij niets over de enorme klap die de Nederlandse economie op 1 januari 2021 te wachten staat?

Waarom horen wij niets over de enorme klap die de Nederlandse economie op 1 januari 2021 te wachten staat?

Onlangs heeft De Nederlandsche Bank besloten dat de gevolgen van de adviezen van de Commissie Dijsselbloem voor de rekenrente waarmee de dekkingsgraden van pensioenfondsen worden berekend zullen worden uitgesmeerd over de komende vier jaar. Zouden de voorstellen voor verdere verlaging van de rekenrente onmiddellijk worden ingevoerd dan zouden alle dekkingsgraden per 1 januari onmiddellijk met 6 procentpunt dalen. Het ABP zou dan bijvoorbeeld met zijn dekkingsgraad onder 80% terecht komen en er zou onmiddellijk moeten worden gekort op de aanspraken en de uitkeringen van ongeveer 1 miljoen ambtenaren. Nu wordt dat effect uitgesmeerd en komt het pas in zijn volle effect in 2025 tot uitdrukking. Het betekent natuurlijk wél dat jaarlijks 1,5% van het rendement van pensioenfondsen wordt afgeroomd door verlaging van de discontovoet.

De wijzigingen in de rts, die gebruikt wordt als discontovoet voor het berekenen van de balanswaarde van de verplichtingen van een pensioenfonds is maar een van de onderdelen van het rapport van de Commissie Dijsselbloem. De officiële naam van de commissie is de Commissie Parameters en de opdracht was om de nieuwe parameters vast te stellen voor de verwachte rendementen voor de jaren 2021 tot en met 2025. Met deze verwachte rendementen worden de pensioenpremies berekend. Het is buitengewoon vreemd dat er zo weinig aandacht is geweest in de media voor de uitkomsten van deze adviezen. De Commissie Dijsselbloem komt tot de volgende conclusies als het gaat om de rendementen die de komende vijf jaren kunnen worden verwacht:

Advies parameters Minimum verwachtingswaarden
Prijsinflatie 1,9%
Looninflatie 2,3%
Maximum verwachtingswaarden Meetkundig netto Kosten Meetkundig bruto
AAA- staatsobligaties Aftrek 0,2% na toepassing voorgeschreven methodiek 0,2% Volgens rentetermijn-structuur
Credits Aftrek 0,2% na toepassing voorgeschreven methodiek 0,2% Volgens mapping
Beursgenoteerde aandelen 5,6 % 0,2% 5,8%
Overige zakelijke waarden 5,6% 1,9% 7,5%
Niet beursgenoteerd vastgoed 4,1% 0,7% 4,8%
Grondstoffen 3,3% 0,2% 3,5%

Laten we uitgaan van een gemiddelde opbouw van de belegde middelen van een pensioenfonds: 40% beursgenoteerde aandelen, 10% overige zakelijke waarden, 10% onroerend goed en 40% obligaties. Het gemiddelde verwachte nominale rendement van deze belegde middelen is 3,1%. Onder de huidige voorwaarden moet de premie worden berekend met het gewogen verwachte reële rendement dus gecorrigeerd voor de inflatieverwachting. Het verwachte reële rendement is bij een inflatieverwachting van 1,9% dus 1,2%. Bij een samenstelling van de belegde middelen met een hoger risicoprofiel zal dit percentage hoger kunnen uitvallen. Laten we, om niet al te pessimistisch te zijn, uitgaan van 1,7% verwacht rendement. Het huidige verwachte rendement waarmee de premie wordt berekend is 2,7% of iets hoger. Dat betekent dat de premies met bijna 40% gaan stijgen.

Laten we eens kijken wat dat betekent voor het ABP. De premie-inkomsten van het ABP zijn € 10 miljard per jaar. Dat moet dus omhoog naar € 14 miljard per jaar, een kostenstijging voor de overheid van structureel € 4 miljard per jaar. Ook voor het bedrijfsleven gaan de structurele loonkosten omhoog, in dit geval met € 8 miljard per jaar. Dat gebeurt op een moment dat Nederland in de diepste crisis sinds mensenheugenis zit en dat er zou moeten worden ontspaard in plaats van de toch al veel te hoge besparingen verder op te voeren.

Overigens, in de eerste alinea heb ik uitgelegd dat 1,5% rendement wordt afgeroomd door verlaging van de discontovoet. Het advies van de Commissie Dijsselbloem houdt dus in dat er geen verbetering is te verwachten van de financiële gezondheid van pensioenfondsen ten opzichte van de huidige magere situatie.

Kan aan deze desastreuze ontwikkeling worden ontkomen? Volgens de huidige regels maar op één manier: door het verlagen van de opbouw met 40%. De opbouw moet dan van 80% van het middelloon naar ongeveer 50% van het middelloon. Dat is zonder meer een bom onder het poldermodel en het einde van een periode van relatieve rust in het arbeidsklimaat.

Er is natuurlijk een derde weg. Men moet ophouden het pensioenstelsel coûte-que-coûte te blijven persen in een kapitaaldekking met voorwaarden die daar niet bij passen. Er zijn twee wegen om uit de impasse te komen: óf men erkent dat het kapitaaldekkingsstelsel alleen houdbaar is als alle berekeningen uitgaan van rendementen die ook in het verleden zijn behaald. Dat daarbij een prudent beleid past is vanzelfsprekend. Een verwacht reëel rendement van 2,7% is verdedigbaar. Als hiermee ook gerekend wordt bij het vaststellen van de dekkingsgraad dan zijn alle systeemproblemen opgelost. Maar als politiek besloten wordt dat zoiets niet haalbaar is, om welke belachelijke redenen dan ook, dan moet men de moed hebben af te stappen van de kapitaaldekking en dan is een omslagstelsel eenvoudiger en ook aanzienlijk goedkoper. Het ABP komt dan, bij een ongewijzigde premie van €10 miljard per jaar voor de komende tientallen jaren jaarlijks enige miljarden te kort. Met een vermogen van meer dan € 400 miljard is een nettorendement van 1% voldoende om dit tekort te compenseren. Het vermogen blijft dan intact. En indexatie is dan dus zonder meer verantwoord.

Rob de Brouwer

30 augustus 2020

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1 Reactie
  • Mevr.VMB van de Wetering-Claase
    Geplaatst op 18:01h, 04 september Beantwoorden

    🤮🤮🤮🤮🤮🤮🤮🤮🤮🤮zakkenvullers! Wij kéíhard gewerkt en worden alleen maar gekort op ons pensioentJE🤮🤮🤮🤮🤮

Geef een reactie