Waarom ik mijn lidmaatschap van 50PLUS heb beëindigd

Waarom ik mijn lidmaatschap van 50PLUS heb beëindigd

Ik ben in 2016 lid geworden van 50PLUS omdat ik in die partij de beste en misschien wel enige mogelijkheid zag om de plannen voor een nieuw pensioenstelsel te dwarsbomen. Die overtuiging kreeg ik doordat in de Eerste Kamer Martin van Rooijen een actief lid was die volledig mijn standpunt deelde en die er dan ook op aandrong dat ik mij verkiesbaar zou stellen voor de Tweede Kamer. De vooruitzichten waren prachtig, de partij stond in verschillende peilingen op tien zetels.

Voor mijn toetreding tot de partij bestudeerde ik uiteraard het verkiezingsprogramma en ik was positief verrast over de brede maatschappelijke oriëntatie en de progressieve visie op  onderwerpen als zorg, wonen en veiligheid. Pensioenen stonden centraal in dat programma.  Ik citeer: “Handen af van het huidige pensioenstelsel; een van de beste ter wereld….Rekenrente vast op 4% of op basis van gerealiseerd rendement”. Ook over de AOW bestond duidelijkheid: “AOW-leeftijd terug naar 65 jaar…. Structurele verhoging van de welvaartsvaste AOW”. Daar is geen woord frans bij.

De afgelopen vier jaar heb ik me dan ook voor de partij ingezet om deze doelstellingen dichterbij realisatie te brengen. Moties werden ingediend, er kwam een initiatiefwetsontwerp van 50PLUS voor een minimale rekenrente van 2%, omdat de rente door de ECB werd gemanipuleerd en er zijn tientallen Kamervragen gesteld over de ontwikkelingen rond het pensioen. En ook na de totstandkoming van het Pensioenakkoord bleven de fracties in de Tweede en Eerste Kamer zich inzetten voor behoud van het stelsel met enige aanpassingen. Steeds werd op mij een beroep gedaan om de fracties te ondersteunen bij dit kernpunt van het beleid van 50PLUS.

Waarom is het behoud van het bestaande pensioenstelsel eigenlijk zo belangrijk? Daar is eigenlijk maar één doorslaggevende reden voor: de argumenten om tot wijziging van het stelsel over te gaan deugen niet. Het zijn wetenschappelijk zwak onderbouwde of zelfs slecht onderbouwde argumenten. Het bestaande stelsel is gebaseerd op het afdragen van een maandelijkse premie. In ruil daarvoor krijgt de deelnemer telkens een deel van de opbouw van een aanspraak op een pensioenuitkering. De premie wordt berekend op basis van de gewenste uitkering bij volledige opbouw over 42 jaar en een voorzichtige schatting van het rendement dat op de ingelegde premie kan worden gemaakt. Dat alles gebeurt op een onafhankelijke en neutrale wijze door een onafhankelijke commissie: de Commissie Parameters. Over de jaren 2015 tot en met 2020 werd het rekenrendement dat bij de vaststelling van de premie werd gebruikt vastgelegd op ongeveer 2,8%. Het kan enigszins variëren omdat de hoogte afhangt van de samenstelling van de belegde middelen van een pensioenfonds.

Naast het neutraal vaststellen van een voorzichtig rekenrendement moet er ook een methode worden gekozen op basis waarvan beslist kan worden of de aanspraken en uitkeringen kunnen worden verhoogd of dat er misschien zelfs redenen zijn om tot verlaging over te gaan. Dat noemen we het Financiële ToetsingsKader (FTK). Bij het ontwerp van die financiële toetsingsmethode is het misgegaan.

In 2004 fuseerde de Verzekeringskamer, die tot dan toe toezichthouder was bij de pensioenfondsen, met De Nederlandsche Bank (DNB). Er was onvrede over de financiële toetsing zoals vastgelegd in de Pensioen- en Spaarfondsenwet (PSW) en een drietal onderzoekers van de afdeling Wetenschappelijk Onderzoek van DNB schreef een rapport waarin een wetenschappelijk verantwoord financieel toetsingskader werd ontworpen. M.C.J.  van Rooij, A.H. Siegmann en P.J.G. Vlaar schreven dit rapport met de titel PALMNET: een Pensioen Asset en Liability Model voor Nederland (Onderzoeksrapport WO 760, april 2004). Op dit model is uiteindelijk het FTK gebaseerd dat tot op de dag van vandaag wordt gehanteerd en dat ons kostbare pensioenstelsel, dat een voorbeeld is voor de wereld, in het verderf heeft gestort.

PALMNET gaat uit van een aantal premissen die pertinent niet juist zijn. En als je bij een puzzelrit bij de eerste kruising al de verkeerde weg neemt dan kom je nooit bij het gewenste eindpunt terecht. Welke uitgangspunten worden gekozen? Ik citeer uit het rapport:

  • We gaan uit van een defined benefit pensioenstelsel gebaseerd op het middelloonsysteem. Nominale verplichtingen zijn gegarandeerd en indexatie wordt nagestreefd.
  • Een alternatieve methode om tot een disconteringsvoet te komen is op basis van “fair value” oftewel “marktwaardering”, waarbij zo veel mogelijk de huidige marktconforme waarde van de toekomstige pensioenaanspraken wordt bepaald. Deze methode zal vanaf 2005 de internationale accountancy standaard worden en ook het Hoofdlijnenakkoord gaat hier van uit. Het uitgangspunt van de methode is dat de toegezegde verplichtingen op ieder moment overgedragen moeten kunnen worden aan een derde partij indien dit wenselijk zou zijn. De waarde van de onvoorwaardelijke toezeggingen komt overeen met die van een portefeuille met staatsobligaties die een identieke kasstroom garandeert. Voor nominale verplichtingen betekent dit disconteren tegen de huidige rente op staatsobligaties.
  • Voor reële verplichtingen is geen directe marktconforme replicerende portefeuille beschikbaar, aangezien er geen markt voor loongeïndexeerde leningen bestaat. Om het marktwaarderingsbegrip hierop toe te passen is dan ook een veronderstelling ten aanzien van de toekomstige loonontwikkeling noodzakelijk. Voorwaardelijke verplichtingen zouden volgens het marktwaarderingsprincipe berekend moeten worden op basis van optieberekeningen. De toezegging van het pensioenfonds om in de toekomst onder voorwaarden te gaan indexeren kan gezien worden als de combinatie van geschreven callopties op de beleggingsportefeuille van het fonds met als uitoefenprijs de dekkingsgraad waarbij men begint met indexeren en gekochte callopties met als uitoefenprijs de dekkingsgraad waarbij men maximaal indexeert.

Uit het eerste citaat blijkt dat de auteurs uitgaan van een garantie voor de nominale uitkering. Dat is om verschillende redenen volstrekt onjuist. Om te beginnen is duidelijk dat als het rekenrendement waarop de premie wordt gebaseerd niet wordt gehaald, de in het vooruitzicht gestelde nominale uitkering niet kan worden gerealiseerd. Het behalen van het rekenrendement is een voorwaarde en geen garantie. De Hoge Raad der Nederlanden heeft daarover ook een uitspraak gedaan door het eigendomsrecht van een pensioenaanspraak te definiëren als een voorwaardelijk vermogensrecht. De voorwaarde van het behalen van het rekenrendement ligt buiten de handelingsmacht van de deelnemers van een pensioenfonds. Het kan daarom ook niet gezien worden als een aan de garantie verbonden voorwaarde zoals bij producten waarvoor de garantie vervalt als het onjuist wordt gebruikt. Los van de essentiële voorwaarden waaraan moet worden voldaan moet gewezen worden op het karakter van een pensioenfonds. Het pensioenfonds is een stichting die de belegde middelen beheert van deelnemers en gepensioneerden. Het pensioenfonds heeft geen eigen middelen en kan dus nooit een garantie afgeven. Er zijn ook geen verzekeringsmaatschappijen waarbij het pensioenfonds die garantie zou kunnen herverzekeren. Kort gezegd: het eerste citaat (nota bene in de eerste alinea van het PALMNET rapport) bewijst dat een verkeerd uitgangspunt werd gekozen. Bovendien is ook het uitgangspunt van een defined benefit pensioenstelsel dubieus. Dat is weliswaar formeel een juist uitgangspunt maar materieel zijn de meeste pensioenovereenkomsten gebaseerd op een vaste premie, die, als hij onvoldoende zou zijn om de uitkering te realiseren, niet tussentijds kan worden verhoogd, maar in dat geval zal leiden tot een verlaging van de uitkering. Hoewel formeel een defined benefit stelsel genoemd is het stelsel materieel gebaseerd op een collectief defined contribution model.

Het tweede citaat bewijst dat de onderzoekers de discontovoet (de rekenrente waarmee de balanswaarde van de verplichtingen wordt bepaald) willen baseren op de marktwaarde. Dat is een onnodige complicatie maar ook een onhaalbare ambitie. Het is wel modieus in een tijd dat het neo-liberale marktdenken hoogtij vierde. Probleem is dat verplichtingen van pensioenfondsen niet verhandelbaar zijn op welke markt dan ook. De marktwaarde kan daarom niet worden afgeleid van een marktprijs die ergens wordt gepubliceerd. De woorden “fair value” wekken ten onrechte de indruk dat een andere waardering niet eerlijk zou zijn. Hier wordt voor het eerst op een indirecte wijze het generatieconflict ten tonele gevoerd. Een marktconforme waarde van toekomstige pensioenaanspraken bestaat niet. De onderzoekers slaan vervolgens opnieuw een verkeerde weg in. Zij suggereren dat de door hen voorgestelde methode van fair value vanaf 2005 de internationale accountancy standaard wordt. Dat is volstrekt onjuist. De auteurs baseren zich daarbij op International Accounting Standard 19 (IAS19) van de Europese Unie. Zij gebruiken overigens de verkeerde terminologie, het is geen accountancy standaard maar een accounting standaard. Pensioenfondsen zijn onderhevig aan IAS26 niet aan IAS19, dat bedoeld is voor ondernemingen. Het is zorgwekkend dat de onderzoekers dat niet weten of, wat veel erger zou zijn, bewust de verkeerde standaard toepassen. IAS26, dat al sinds 1987 bestaat, gaat niet uit van garanties, maar gebruikt de woorden beloofde pensioenverplichtingen (promised retirement benefits). En, wat natuurlijk even belangrijk is, IAS26 gaat niet uit van het liquidatiemodel waarop de onderzoekers de keuze van de discontovoet nu baseren. Fair value heeft in IAS26 alleen betrekking op de belegde middelen en niet op de actuariële contante waarde van de verplichtingen, die volgens IAS26 moet worden berekend . De onderzoekers kiezen echter voor de standaard die hen uitkomt en uit deze keuze is de risicovrije rente voortgekomen die nu moet worden toegepast door pensioenfondsen terwijl dit in IAS26 noch in de richtlijn voor Institutions for Occupational Retirement Provision (IORPII) als voorwaarde wordt genoemd.

In hun overmoed gaan de onderzoekers nog verder bij het zoeken naar een marktconforme waardering. Zij willen ook het indexatie-aspect waarderen terwijl in werkelijkheid de indexatie gewoon betaald moet worden uit het overrendement, dat wil zeggen het rendement dat uitgaat boven het rekenrendement waarmee de premie is berekend. In het derde citaat wordt duidelijk wat ze daarvoor uit de kast halen. Zij vergelijken het geïndexeerde pensioen met een calloptie. Vervolgens laten de onderzoekers de theorie van Merton, Black en Scholes, die is ontworpen voor het vaststellen van een marktprijs voor een optie, los op de pensioenaanspraken en opnieuw komt de risicovrije rente uit de hoed. De gedachte is dan dat je, bij beleggen in zakelijke waarden, zoals opties, een waardering bestaat waarin een risicopremie is verdisconteerd, maar dat je je die risicopremie pas mag toe-eigenen als hij ook is gerealiseerd. Met andere woorden: je moet uitgaan van een toekomstig rendement van een risicovrij product want als je uit zou gaan van een riskant product dan reken je er ten onrechte op dat het nemen van risico door de aanschaf van bijvoorbeeld opties ook zal worden beloond.

PALMNET is dus gebaseerd op volstrekt verkeerde uitgangspunten en veronderstellingen. Maar PALMNET is wel gebruikt voor het FTK dat na inwerkingtreding van de Pensioenwet in 2007 door DNB werd ontwikkeld. En vervolgens werden pensioenfondsen gedwongen zich arm te rekenen en konden ze de miljarden die verdiend werden met een uitstekend beleggingsbeleid niet uitkeren aan de gepensioneerden noch konden zij dat geld gebruiken om de aanspraken aan te passen aan de loonontwikkeling. Sterker nog, veel pensioenfondsen gingen speculeren op rentedalingen door de aanschaf van renteswaps en probeerden hiermee hun dekkingsgraad te beschermen. Maar dat is geen waardecreatie voor deelnemers en gepensioneerden.

De enige juiste oplossing voor het pensioenvraagstuk is erkenning van de grove fouten die zijn gemaakt bij het ontwerpen van een FTK en teruggaan naar de tekentafel voor een eerlijker stelsel dat nog steeds gebaseerd kan zijn op defined benefit, dat wil zeggen dat je premie wordt gebruikt om een nominaal pensioen te beloven (niet te garanderen) dat bij goede beleggingsresultaten ook kan worden geïndexeerd. Daarvoor hoeft de premie niet omhoog, maar moet de discontovoet waarmee de balanswaarde van de verplichtingen wordt gewaardeerd omhoog. Dat behoeft zeker niet de 4% te zijn uit de PSW. Maar een risicovrije rente is ook niet nodig. Een prudent verwacht rendement is verantwoord en maakt enorme bedragen vrij uit de zee van geldmiddelen die deelnemers en gepensioneerden inmiddels bij elkaar hebben gespaard.

50PLUS laat met het kiezen van Liane den Haan tot lijsttrekker deze aanpak achter zich en schaart zich in de geledingen die het huidige pensioenstelsel volledig willen gaan ombouwen. Er is geen enkele reden om dat te doen behalve als je vindt dat ons pensioenstelsel beter kan worden geprivatiseerd. Het nieuwe stelsel is immers niet solidair meer en het heeft het karakter van de premieregeling die verzekeringsmaatschappijen nu ook aanbieden. Het wordt daarmee slechter en duurder. En bij de overgang van het huidige stelsel naar het nieuwe dreigt een enorme onteigening van gepensioneerden en oudere deelnemers. Op basis van deze keuze kan ik niet anders dan mij terugtrekken uit de partij.

Rob de Brouwer

6 oktober 2020

 

Naschrift: Ik krijg erg veel reacties op dit artikel. Maar jammer genoeg gaan die reacties bijna uitsluitend over de toestanden in de partij, wie daaraan nu wel of niet schuldig zijn en over de vraag of de manier waarop ik afscheid nam de schoonheidsprijs verdient. Daar gaat dit artikel echter niet over. In dit artikel wil ik duidelijk maken dat ik heel goede argumenten heb om te verdedigen dat je het huidige stelsel NOOIT moet inleveren voor een ander.

Omdat ik liever niet wil dat op deze plek gereageerd wordt op mensen en hun gedrag in 50PLUS heb ik besloten geen reacties toe te laten.

 

Geen reactie's

Geef een reactie