Het macro-economische drama: laten sociale partners zich een oor aannaaien?

Het macro-economische drama: laten sociale partners zich een oor aannaaien?

Over het Pensioenakkoord als zogenaamde oplossing voor de onhoudbare situatie van ons stelsel van aanvullende pensioenen wordt veel geconfereerd en geschreven. Maar je hoort bijna niemand over het grootste probleem van de Pensioenwet uit 2007. Dat komt omdat het echte drama van ons pensioenstelsel voor de gemiddelde Nederlander het verlies aan koopkracht is als gevolg van de achterblijvende indexatie. Dat probleem geldt voor gepensioneerden maar misschien nog sterker voor de deelnemers in een pensioenfonds die nog in de opbouwfase zitten. Sinds de overgang van het eindloonstelsel naar een stelsel gebaseerd op het middelloon is een niet geïndexeerd pensioen een slecht pensioen.

Er gaat echter ook een enorm macro-economisch drama schuil achter de regeltjes van De Nederlandsche Bank. En dat drama, met een grote negatieve invloed op onze nationale economische prestaties kent twee gezichten: de omvangrijke reserves die pensioenfondsen moeten aanleggen en de ongekende hoogte van de pensioenpremies.

De Nederlandsche Bank publiceert jaarlijks in maart de balanstotalen van de Nederlandse pensioenfondsen. Daaruit kun je afleiden wat de omvang is van de financiële middelen die pensioenfondsen namens gepensioneerden en deelnemers beleggen. Al in maart 2016 schreef Jan Pierik, oud-hoofddirecteur van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan Minister Koolmees, de Tweede Kamer en de SER dat het gezamenlijke vermogen van de pensioenfondsen zo omvangrijk was dat een stelsel op basis van omslag met gebruikmaking van het rendement op het vermogen eenvoudig te realiseren was. Hij noemde dat het hybride stelsel: gebruik de premie om de uitkeringen te financieren en als je daaraan tekort komt put dan uit het vermogen. Later zijn nog artikelen verschenen met een variant op dit idee, uiteindelijk uitmondend in het boek van Martin ten Cate “Waar blijft mijn pensioen?”.  Het is bijna niet te geloven, maar sinds deze discussie op gang kwam is het collectieve vermogen van de pensioenfondsen in Nederland gestegen met 54%, ofwel met 9% per jaar. Zie de laatste gepubliceerde cijfers van DNB:

 € mld 2015 2016 2017 2018 2019 2020
Vermogen pensioenfondsen 1.252,3 1.378,4 1.453,3 1.457,0 1.742,2 1.924,3
Premieafdracht 28,8 29,1 33,0 33,2 36,5 44,1
Uitkeringen 27,5 28,7 29,6 30,8 31,8 33,5
Vermogen in jaren uitkeringen 45,5 48,0 49,1 47,3 54,8 57,4

De consequenties van het financiële toetsingskader als uitwerking van de Pensioenwet zijn dat een bedrag van zo’n tweeëneenhalf keer het nationaal inkomen moet worden gereserveerd voor toekomstige pensioenuitkeringen, ofwel ruim 57 maal de jaarlijkse uitkering. Het aantal jaren uitkering dat het vermogen moet omvatten is gestegen van meer dan 45 naar meer dan 57. De oorzaak van deze ontwikkeling is de steeds maar dalende rente. De gemiddelde discontocurve ten behoeve van de balanswaarde van de verplichtingen bereikt eind 2020 een dieptepunt met 0,2%. In dat jaar moesten pensioenfondsen dus bijna de volledige nominale verplichtingen over de komende zeventig jaar al in kas hebben. En weet u wat? De dekkingsgraad ultimo 2020 was ruim 100% gemiddeld voor alle pensioenfondsen. Met andere woorden: zij hadden inderdaad alle middelen al in kas om hun totale verplichtingen voor de verre toekomst na te komen. Als gevolg van de regeltjes uit de Pensioenwet is er de laatste jaren ongelofelijk veel extra gespaard om aan de eisen van de Pensioenwet te voldoen en overigens bleek dat nog steeds onvoldoende om de pensioenuitkeringen waardevast te maken en de pensioenopbouw welvaartsvast. Het gevolg van deze aanpak is dat het aanvullend pensioen een veel te groot beslag legt op het nationale inkomen. Die middelen zijn nu niet beschikbaar voor investeringen van bedrijven, consumptie van burgers en overheidsuitgaven. Dit bijna absurd rijke stelsel zorgt voor een nationale verarming.

Dat negatieve aspect voor de nationale economie wordt nog versterkt door de premie die wordt betaald voor dit dure stelsel. Ik schrijf over betalen van de premie, niet het afdragen ervan. De cijfers over de premie in bovenstaande tabel hebben betrekking op de premieafdrachten door werkgevers. Een deel van die afdrachten wordt doorbelast aan de werknemers. Maar de premie die we hier zien is niet kostendekkend. Bij het inboeken van de verplichtingen moeten pensioenfondsen een verlies financieren van ruim 40%. De premie van ruim € 44 miljard in 2020 dekte maar 70% van de kosten. In totaal werd € 63 miljard betaald. De ontbrekende € 19 miljard werd bijgepast uit het vermogen en werd dus gedragen door gepensioneerden en gewezen deelnemers.

En zo gebeurt dat jaar op jaar. Wanstaltige premies worden betaald voor een pensioen dat nu al dertien jaar niet wordt aangepast aan de prijsontwikkeling. Per 1 januari van dit jaar zijn de premies verder verhoogd naar een gemiddelde van 27% van de pensioengrondslag, hetgeen betekent dat de door werkgevers afgedragen premie op ongeveer € 48 miljard zal uitkomen. Het is onbegrijpelijk dat sociale partners zich door de regeltjes van de Pensioenwet als makke schapen naar de slachtbank laten leiden. Bij een prudent nominaal rendement van 3% zou zelfs een premievrij pensioen in beeld kunnen komen. Of, wat veel rechtvaardiger zou zijn: bij handhaving van de premie is een volledige inhaalindexatie mogelijk met in de toekomst een waardevast pensioen en een welvaartsvaste opbouw zonder dat het opgebouwde vermogen wordt aangetast.

Bijzonder vreemd is het gedrag van de grootste werkgever: de overheid. Bij het ABP is het premiepercentage over de afgelopen vijf jaar gestegen met meer dan 45%! Een totaal onnodige aderlating als je de prestaties van het ABP over diezelfde jaren in beschouwing neemt. De netto inkomens van de deelnemers van het ABP werden op die manier afgeroomd met miljarden die gebruikt hadden kunnen worden voor verbetering van de inkomenspositie van leraren en politiemensen. Nu is een offer gebracht voor het pensioen, maar wat stond daar tegenover? Geen welvaartsvaste opbouw in ieder geval, maar een verdere verslechtering.

Er is maar één reden dat deze onwenselijke situatie bestaat. En dat is de keuze voor een risicovrije discontovoet bij het berekenen van de balanswaarde van de verplichtingen. Er is geen enkele andere reden. Het turbosparen is niet nodig voor een waardevast pensioen en een welvaartsvaste opbouw. Ga maar na. Inclusief de subsidie vanuit het vermogen betalen deelnemers in pensioenfondsen ongeveer 40% premie over de pensioengrondslag. Bij een arbeidzaam leven van 42 jaar wordt dus bijna 17 keer de pensioengrondslag afgedragen. Bij een uitkering van 80% wordt er alleen al aan premie voor meer dan 20 uitkeringsjaren betaald. En dan moeten de rendementen die over die premie worden gerealiseerd nog worden verrekend. Er is maar één oplossing: een hogere rekenrente. Dan kan de premie omlaag en komt het gespaarde vermogen geleidelijk vrij voor het doel waarvoor het dient: een waardevast pensioen en een welvaartsvaste opbouw.

Rob de Brouwer, 21 april 2021

8 Reactie's
  • J t hammink
    Geplaatst op 17:03h, 21 april Beantwoorden

    De besturen van de pensioenfondsen horen hier massaal tegen in opstand te komen Als ze dat niet doen maken ze zich medeschuldig aan dit drama.

    • Ad van Gennip
      Geplaatst op 09:34h, 22 april Beantwoorden

      Er komt een dag dat de pensioenfonds bestuurders zich moeten verantwoorden voor een parlementaire onderzoekscommissie. Ze zullen zich dan verschuilen achter de DNB die de enorme geldpot wel goed uitkomt. De kwalificatie “slapjanussen “zal hun deel worden.

  • Bernard Berendsen
    Geplaatst op 18:03h, 21 april Beantwoorden

    Het is niet mijn gebruikelijke communicatiestijl maar zeker na de verkiezingen van 17 maart en na alle waarschuwingen ten aanzien van de pensioenen kan ik niets anders zeggen dat Nederlanders in grote aantallen slapjanussen zijn.

  • Peter Rotgans
    Geplaatst op 18:52h, 21 april Beantwoorden

    Dat turbosparen is juist wel nodig, het pensioen wordt door die aparte potjes in de uitkeringsfase 40% duurder. De inleg van alle deelnemers was op het solidaire stelsel gebaseerd: Het geld zit in één grote pot en die beleggen we. Dat betekende dat ook tijdens de uitkeringsfase rekening gehouden werd met 4% rendement boven de inflatie, want als een pensioenfonds vroeger de verplichtingen uitrekende, dan indexeerden ze eerst en rekenden dan met 4% rente de verplichting uit. En zo’n grote pot waar al het geld van de deelnemers inzit is veel minder gevoelig voor het constant houden van de uitkeringen. Stel er is 30% van het pensioenvermogen verdampt op de beurs, dan maakt het voor die pot minder dan 1% uit of je de uitkeringen 30% verlaagt of niet, dus het herstel na een paar jaar wordt daar nauwelijks anders van. Als je een eigen potje hebt zit daar maximaal 18,5 jaar in en levert die 30% teveel uitkeren al gauw een blijvende verlaging na herstel. Daarom MOETEN die persoonlijke potjes volgens het pensioenakkoord met obligaties worden beschermd. Obligaties leveren in het algemeen ( als de ECB de rente niet gebruikt om de economie te sturen) de inflatie op. Even voor het begrip. Je doet net alsof het pensioenfonds op jouw pensioneringsdatum jouw pensioengeld leent en het in maandelijkse termijnen gaat terugbetalen Voor een annuïteitenlening van 18,5 jaar met een rente van 4% moet het pensioenfonds de deelnemer voor iedere euro dan totaal 1,40 euro betalen. Voor dit aparte portjes plan is te weinig ingelegd.

    • robdebrouwer
      Geplaatst op 20:08h, 22 april Beantwoorden

      Ik neem aan dat deze reactie feitelijk een ondersteuning is van mijn betoog.

  • J.Bezema
    Geplaatst op 17:21h, 22 april Beantwoorden

    De reactie van Peter Rotgans lijkt op die van degenen die de pensioendiscussie zo ingewikkeld mogelijk maken en daarbij de grote lijnen volstrekt negeren. Als duidelijk is, dat het pensioenvermogen voldoende is om meer dan 50 jaar aan de huidige verplichtingen te kunnen voldoen, zonder dat rekening wordt gehouden met mogelijke inkomsten uit beleggingen, dan is zonneklaar dat ook bij individuele potjes zeer veel geld aanwezig zal zijn. Als zou blijken, dat er te weinig geld zou zijn – zoals dhr. Rotgans veronderstelt – dan lijkt mij, dat iemand iets uit te leggen heeft, gezien de voorgeschiedenis.

  • Hans Krosse
    Geplaatst op 18:31h, 22 april Beantwoorden

    Ik ben het van harte eens met de eerste, tweede en vierde bijdrage. En zou willen vragen wanneer het gaat lukken om op grote schaal (desnoods huis aan huis).een brochure te gaan verspreiden, waarin meerdere klip en klaar heldere bijdragen (zoals de onderhavige) worden gebundeld. En dan met hulp van bevriende journalisten (zoals werkzaam bij Follow the Money en De Correspondent. op grote schaal presenteren om beweging onder allen die banden hebben met deze pensioenfondsen te mobiliseren.
    Zie in dit verband ook het boek dat over de toeslagen-affaire binnenkort door Jesse Frederik (van De Correspondent) zal worden uitgebracht.
    Ik ben heel benieuwd hoe wij de publieke opinie door een bundeling van krachten nu eens echt kunnen gaan beïnvloeden.

  • Lilian Steenvoort
    Geplaatst op 10:51h, 24 april Beantwoorden

    Een heeeeel goed plan!

Geef een reactie