Invaren

Invaren

De term invaren gaat als het pensioenen betreft over de overgang van het huidige stelsel naar het nieuwe stelsel. Deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden worden vanuit het oude stelsel ingevaren in het nieuwe stelsel. De nautische term wekt gevoelens van warmte, romantiek en veiligheid op. Je schip is in open zee en staat bloot aan de gevaren van de stroming, de storm en de striemende regen, maar er komt redding. Er wordt een loods aan boord gehesen en die zal ervoor zorgen dat het schip wordt ingevaren in de veilige haven.

Ik vrees dat invaren in het nieuwe pensioenstelsel niet diezelfde veiligheid en warmte zal bieden. Sterker nog, het zou best wel eens kunnen betekenen dat pensioengerechtigden van de regen (geen indexatie en zelfs in bepaalde gevallen kortingen op de uitkeringen) in de drup (nog steeds geen indexatie en nog steeds kansen op kortingen) terechtkomen. In mijn column “Het rendement van pensioenfondsen in het nieuwe contract: een buitengewoon ingewikkeld vraagstuk” heb ik geprobeerd uit te leggen hoe de kansen voor indexatie liggen in het nieuwe stelsel. In deze column wil ik stilstaan bij de overgang van de huidige situatie naar de nieuwe: hoe wordt er ingevaren?

Het belangrijkste verschil tussen het oude en het nieuwe contract is dat in het nieuwe contract geen sprake meer is van een voorspelde uitkering. In de plaats daarvan komt een persoonlijke pensioenrekening waarop de premie wordt gestort en waaraan volgens een bepaalde methodiek rendementen worden toegewezen. Aldus ontstaat in de loop van de tijd een persoonlijk pensioenvermogen dat wordt gebruikt om na de pensioendatum uitkeringen te doen. De hoogte van die uitkeringen is afhankelijk van de premies die zijn afgedragen en de toegewezen rendementen. Door middel van een projectierendement wordt jaarlijks uitgerekend welke uitkering kan worden gerealiseerd.

Bij het invaren gaat het om het omzetten van het oude contract met alle bijbehorende rechten en plichten naar het nieuwe contract. De belangrijkste stap is dan het opdelen in persoonlijke pensioenvermogens van het totale collectieve vermogen vastgelegd in de belegde middelen van het pensioenfonds. Neem het grootste pensioenfonds, het ABP. Dat pensioenfonds beschikt over een totaal aan belegde middelen van € 505 miljard (ultimo april 2021). Het aantal deelnemers, gewezen deelnemers en pensioengerechtigden van het ABP bedraagt iets meer dan 3 miljoen. Elke actieve of gewezen deelnemer en elke pensioengerechtigde moet een deel van de ruim € 500 miljard toegewezen krijgen op zijn of haar persoonlijke pensioenrekening. De discussie gaat dan natuurlijk vooral om de methodiek waarmee het vermogen wordt verdeeld.

In het wetsontwerp Toekomst Pensioenen worden twee waarderingsmethoden aangereikt: de standaardmethode en de vba-methode (value-based ALM methode). De standaardmethode, het woord zegt het al, zal waarschijnlijk het meest worden gebruikt en is ook het eenvoudigst. Het verdeelt het vermogen op basis van het aandeel van de balanswaarde van de individuele verplichtingen in de balanswaarde van de totale verplichtingen. Bij het berekenen van de balanswaarde van verplichtingen moeten toekomstige uitkeringen worden teruggerekend naar de huidige tijd via de methode van contante waarde berekening. De discontofactor, de rente die gebruikt wordt om de contante waarde te berekenen is de rentetermijnstructuur (RTS) die door De Nederlandsche Bank wordt gepubliceerd. De RTS is een dagelijks fluctuerende waarde en representeert de rente op de kapitaalmarkt voor risicovrije producten. Het is een curve die voor elk moment in de toekomst een andere rekenrente representeert. Zo worden verplichtingen die betrekking hebben op de korte termijn, bijvoorbeeld over een jaar, contant gemaakt met een negatieve rente. Voor de lange termijn, bijvoorbeeld voor verplichtingen die betrekking hebben op een jaar dat 40 jaar verder in de toekomst ligt geldt een positieve rente van bijvoorbeeld 2%. Voor een gepensioneerde van 75 jaar geldt dat hij of zij nog 11 jaar pensioenuitkeringen tegoed heeft. Bij een jaarlijkse pensioenuitkering van bijvoorbeeld € 10.000 zal de contante waarde van zijn of haar pensioenrechten min of meer gelijk zijn aan € 110.000. In het begin krijgt hij of zij wat meer dan de nominale uitkering omdat de rente dan negatief is maar over de latere jaren zou een positieve rente tot wat lagere bedragen leiden.

Betreft het een ABP-pensioen dan krijgt deze gepensioneerde dus een persoonlijk pensioenvermogen toegewezen op basis van het aandeel van de contante waarde van zijn pensioenrechten in de totale pensioenrechten. De totale balanswaarde van alle verplichtingen van het ABP bedroeg eind april 2021 € 490 miljard. Voor onze voorbeeldgepensioneerde betekent dit dat hij of zij 0,000022 % aandeel krijgt in het totaal aan belegde middelen van het ABP. Het ABP heeft € 505 miljard te verdelen, het fonds heeft eind april 2021 een dekkingsgraad van 102,9%. Volgens de uitgangspunten van het nieuwe stelsel moet er ingevaren worden bij een dekkingsgraad van tenminste 95%. Het ABP zou dan een kleine 8% ruimte hebben om te verdelen over bijvoorbeeld de solidariteitsreserve of voor de deelnemers en pensioengerechtigden. Maar er moet ook nog compensatie worden geboden voor de gevolgen van het wegnemen van de doorsnee-effecten. Dat zijn de negatieve aspecten van de doorsneepremie waardoor volgens de opvatting van de meeste deskundigen jonge deelnemers meebetalen aan de rechten van oudere deelnemers. Omdat er in het nieuwe stelsel geen uitkeringsrechten meer worden opgebouwd verdwijnt dit nadelige effect maar oudere deelnemers die onder het oude systeem dus eigenlijk teveel hebben betaald ondervinden hiervan nadelen en die moeten worden gecompenseerd.

Hoe de uitkomst zou zijn van de vba-methode is moeilijk te zeggen. Bij deze methode wordt de waarde van de opgebouwde pensioenen berekend op basis van een scenario-analyse. Hierbij wordt gekeken naar een groot aantal mogelijke toekomstscenario’s, rekening houdend met de kenmerken van het fonds, zoals het beleggingsbeleid, de leeftijdssamenstelling, en verwachte indexatie of kortingen. In deze methode worden veel meer aannames gedaan en dit geeft de sociale partners meer ruimte voor maatwerk. Met andere woorden: de aannames hebben invloed op de verdeling van de bestaande pensioenpot over de verschillende groepen deelnemers. Wel begrenst de wetgever de speelruimte door grenswaarden voor te schrijven.

De uitkomsten zullen voor de deelnemers en pensioengerechtigden sterk kunnen verschillen, afhankelijk van de gehanteerde methode. Dit betekent bijvoorbeeld dat onze pensioengerechtigde van 75 jaar met een jaarlijkse pensioenuitkering van € 10.000 bij pensioenfonds A veel minder in zijn persoonlijke pot gestort kan krijgen dan een pensioengerechtigde met dezelfde leeftijd en pensioen bij pensioenfonds B. De uitgangssituatie (dekkingsgraad), de gekozen methodiek en gekozen parameters spelen allemaal een rol in hoeveel er straks in de persoonlijke pensioenpot wordt overgemaakt.

Het zijn de sociale partners binnen de grenzen die de overheid vastlegt, die beslissingen nemen over de verdeling van de belegde middelen van een pensioenfonds over de actieve en gewezen deelnemers en de gepensioneerden.

Gaan we even terug naar ons voorbeeld van de pensioengerechtigde van 75 jaar. Hij of zij heeft een persoonlijk vermogen meegekregen van € 110.000 plus een deel van de overwaarde ten gevolge van de dekkingsgraad, die hoger uitvalt dan 100%. Laten we ervan uitgaan dat € 112.000 als persoonlijk pensioenpotje wordt toebedeeld. De uitkering uit dit potje gebeurt op basis van het projectierendement. Laten we ervan uitgaan dat het projectierendement voor 90% bestaat uit de risicovrije rente en voor 10% uit het rendement op aandelen. Omdat de RTS meestal lager uitvalt dan het projectierendement zal de jaarlijkse uitkering hoger kunnen uitvallen dan vóór de omzetting naar het nieuwe stelsel. Want een hoger rekenrendement leidt tot hogere uitkeringen bij een gelijk vermogen.

Als eenmaal de eerste uitkering vaststaat zijn de toekomstige uitkeringen een resultaat van een ingewikkelde rekensom waarin het beschermingsrendement, het projectierendement en veranderingen daarin alsmede het overrendement een rol kunnen spelen. Dan hangt het van veel factoren af of verhoging, stabilisatie  of verlaging van de jaarlijkse pensioenuitkering zal plaatsvinden. Daarbij zijn beslissingen over de mate waarin risico genomen wordt bij de keuze voor het projectierendement, de besluiten over de toedeling van de overrendementen en de wijze waarop een eventuele solidariteitsreserve wordt benut of juist wordt aangevuld een cruciale rol. En uiteraard zullen de jaarlijkse rendementen van het betreffende pensioenfonds een hoofdrol spelen.

Het blijft moeilijk te vatten dat de verdeling van de belegde middelen van pensioenfondsen over de persoonlijke pensioenpotjes van actieve en gewezen deelnemers en pensioengerechtigden via twee verschillende methoden kan worden berekend. Twee methoden zullen uit de aard der zaak leiden tot twee verschillende uitkomsten. En omdat we in dit geval spreken over een nulsomspel is de winst van de een het verlies van de ander. Krijgt onze gepensioneerde bij de standaard methode € 110.000 dan zal hij bij de vba-methode ofwel meer ofwel minder krijgen. En wie gaan daar dan over beslissen? De wetgever geeft sociale partners daarbij een cruciale rol, maar gevreesd moet worden dan deze vaak in de richting van een Salomonsoordeel zullen worden gedrongen. Voor werknemers is het wellicht duidelijk: de vakbonden zullen vasthouden aan de afspraken zoals gemaakt in de cao. Zij zullen opkomen voor de belangen van actieve deelnemers maar het staat geenszins vast dat ze eenzelfde rol zullen kunnen vervullen voor gewezen deelnemers of pensioengerechtigden. Want nogmaals elke knoop die wordt doorgehakt begunstigt de een en schaadt de ander.

De meeste pensioenfondsen zullen waarschijnlijk kiezen voor de standaardmethode. Maar dan wordt een ander probleem zichtbaar: het resultaat van de verdeling van het vermogen is afhankelijk van het moment dat de verdeling wordt gemaakt. Zelfs een dag eerder of later kan al verschil uitmaken voor de uitkomst. De RTS is een dagelijks veranderende rentecurve. Zo is het feit dat er in januari 2017 niet gekort hoefde te worden bij een aantal fondsen te danken aan de uitverkiezing van Donald Trump tot president van de Verenigde Staten. Toen de uitslag van die verkiezing bekend werd maakte de rente op de kapitaalmarkten een sprongetje en dat was net voldoende om uit de gevarenzone te komen. Zoiets kan ook nu weer gebeuren. De rente is al enige maanden weer aan het stijgen. Hoe hoger de rente des te lager de balanswaarde van de pensioenaanspraken van vooral de jongere deelnemers. Bij een hogere discontovoet krijgen gepensioneerden een hoger aandeel van de belegde middelen en jongere deelnemers krijgen een lager aandeel. Het is niet te verkopen dat zoiets essentieels als de verdeling van het enorme vermogen van pensioenfondsen verbonden wordt aan zoiets willekeurigs als de rentestand op een bepaald moment.

Hier geldt een algemene conclusie, die overigens ook opgaat bij het huidige stelsel op basis van de risicovrije rente: bij een te lage rente wordt een te somber beeld gecreëerd en wordt vermogen opgepot dat beschikbaar blijft voor jongere generaties ten nadele van de huidige gepensioneerden maar bij een te hoge rente zien we het omgekeerde en wordt ten onrechte pensioen uitgekeerd dat zou moeten worden gereserveerd voor jongere generaties.

Maar hoe zou het dan wél moeten gaan? Wat is dan de eerlijke verdeling van het enorme vermogen van de gezamenlijke deelnemers en gepensioneerden? De enige oplossing lijkt mij dat er aansluiting wordt gezocht bij de methodiek van de toekomst. Jongeren die na de invoering van het nieuwe contract aan hun werkzame leven gaan beginnen krijgen de premie die wordt afgedragen op hun eigen pensioenrekening bijgeschreven. Jaarlijks wordt daaraan het rendement toegevoegd (of bij een negatief rendement in mindering gebracht) volgens een binnen het pensioenfonds overeengekomen toedelingsformule. De enige eerlijke methode voor oudere deelnemers en gepensioneerden is dat de premies die destijds voor hen werden afgedragen opgehoogd met de rendementen die daar jaarlijks op werden gemaakt, gebruikt worden als verdelingsgrondslag voor de collectieve vermogens. Alleen dan is het patroon van de toekomst met terugwerkende kracht toegepast op het verleden. Alleen dan is de willekeur van dagelijks veranderende rente of van honderden toekomstscenario’s te voorkomen. Niemand kan bezwaar maken tegen de toedeling van vermogen aan mij gebaseerd op premies die voor mij zijn afgedragen en bijschrijving van rendementen die tijdens mijn deelnemerschap door het pensioenfonds zijn gemaakt.

 

Rob de Brouwer

31 mei 2021

5 Reactie's
  • Bert
    Geplaatst op 16:40h, 31 mei Beantwoorden

    Zo eenvoudig wordt het dus😀

  • Wim Stijnman
    Geplaatst op 06:53h, 01 juni Beantwoorden

    Wanneer de pensioenpot van gepensioneerden grotendeels risicovrij moet worden belegd raakt daarmee ook de indexatie voor hen buiten bereik. Actieven daarentegen strijken het grootste deel van de aandelenrendementen op. Het doel blijft schijnbaar het bereiken van een premievrij pensioen voor werknemers zodat de werkgevers geen premie meer betalen maar meer winst maken.

  • John niessen
    Geplaatst op 12:13h, 04 juni Beantwoorden

    En waarom worden deze benaderingen door de politiek volledig genegeerd? De macht van de financiële economische lobby / kongsie?

  • Paulina
    Geplaatst op 09:30h, 05 juli Beantwoorden

    Pensioengerechtigen, Lost at sea.

  • Bert
    Geplaatst op 06:08h, 27 juli Beantwoorden

    Dat worden heel veel rechtbankbezoeken . Lijkt me heel verstandig dat advocatenkantoren nu al kijken hoe ze al die proces aanvragen in goede banen gaan leiden

Geef een reactie